‘Ik vind Recyclass één van de betere methodes die we hebben’, zegt Thoden van Velzen. ‘Maar je moet je altijd beseffen: het is wetenschap. Het is een laboratoriumwaarheid. En een industriële waarheid kan anders zijn.’
De maalmolen
Wie een Recyclass-certificering aanvraagt, doorloopt een uitgebreid testprotocol. Folies worden daarvoor in stukjes geknipt en beoordeeld op gedrag in een drijf-zinktank, waar materialen op basis van dichtheid worden gescheiden.
In een recyclingbedrijf gaat folie door een maalmolen. ‘Dan krijg je niet een mooi rechtgesneden stukje folie, maar van die bijna uit elkaar getrokken rafelige stukjes’, zegt Thoden van Velzen. ‘Dat soort folie gedraagt zich anders in een drijf-zinktank dan het netjes volgens Recyclass geknipte stukjes van 1 bij 1 cm. Want als je rafelrandjes hebt, kunnen luchtbelletjes eronder hangen.’ Hij benadrukt dat het protocol met de beste bedoelingen is bedacht. ‘Maar we horen nu van verschillende recyclers dat dingen die in een laboratoriumsetting er goed doorheen komen, in de praktijk toch wat moeilijker zijn.’
‘Dat is een heel klein voorbeeldje van hoe de praktijk kan verschillen van de laboratoriumtesten die nu voorgeschreven zijn.’

Ulphard Thoden van Velzen
Chemie in de extruder
Er is nog een tweede complicatie. Verpakkingen bestaan uit meerdere componenten, componenten uit stoffen, stoffen uit moleculen. ‘Als je dat nu gaat recyclen, krijg je vaak al een dierentuin aan andere moleculen eruit in vergelijking met wat je erin gestopt hebt, omdat er allerlei chemische omzettingen plaatsvinden in de extruder en de wasmolen.’
Maar als je mengsels van folies verwerkt, wordt het nog ingewikkelder. ‘Die recycleerbaarheidstesten worden altijd op zuivere kunststofverpakkingen gedaan. Maar op het moment dat je verschillende verpakkingen gaat mengen, met verschillende chemicaliën, kunnen die ook weer met elkaar gaan reageren in een extruder. En dat kan niet goed nabootsen in een laboratoriumexperiment met één soort folie.’
Lobbypraatclub
De CEN-werkgroep die bepaalt wat in Europa als recyclebaar geldt, werkt met een stoplichtcode: groen is goed recyclebaar, geel is beperkt recyclebaar, rood is niet recyclebaar. Over de werkwijze van die werkgroep is Thoden van Velzen uitgesproken. ‘Als ik het oneerbiedig zou willen zeggen: het is een lobbypraatclub, waar EPR-organisaties, materiaalproducenten en heel veel andere partijen vertegenwoordigd zijn. Men zegt weliswaar dat de wetenschappelijke argumenten de doorslag moeten geven, maar we hebben al meerdere voorbeelden gehoord waarbij dat op zijn zachtst gezegd onduidelijk is.’
Geen exacte wetenschap
De grens tussen groen en geel is geen exacte wetenschap, illustreert hij met het voorbeeld van polyamide in polyetheenfolie. Voor verpakkingen voor producten met scherpe randen, zoals mosselfolie, is een hoge doorsteekweerstand nodig. Puur polyethyleen geeft een ietwat troebel, recyclaat. Met een kleine hoeveelheid polyamide wordt het folie sterker, maar het daaruit gemaakte recyclaat melkachtig en slapper, dus minder goed recyclebaar. ‘Als jij als experiment iets mengt in polyetheenfolie en de scheursterkte wordt twintig procent minder, is dat dan groen of geel? Dat is echt ingewikkeld.’ Als je dan vervolgens een compatibiliser toevoegt aan je polyamide, waardoor het folierecyclaat minder slap wordt, dan moet je het misschien toch weer als groen beoordelen.
Op de vraag of er een kloof is tussen enerzijds lobby en wetenschap en anderzijds praktijk en wetenschap, reageert Thoden van Velzen bevestigend. ‘En dat maakt het best ingewikkeld’, voegt hij eraan toe.

'Licht bevreesd'
Die zorgen gelden ook voor het bredere proces. ‘Ik ben licht bevreesd dat onze vrij strenge recyclecheck, die rekening houdt met heel veel aspecten van het sorteren en recyclen, verdund gaat worden als de CEN-adviezen klaar zijn.’ Aan de andere kant ben ik ook blij dat we in de nabije toekomst een set aan ontwerpregels hebben in de Europese Unie zodat de handel in de unie vergemakkelijkt wordt.
Leeshier deel 1 en hier deel 2.