Nascheiding van huishoudelijk restafval kan de hoeveelheid ingezamelde kunststofverpakkingen voor recycling vergroten, maar leidt ook tot hogere concentraties verontreinigingen in het materiaal. Dat blijkt uit een onderzoek van wetenschappers van onder meer de Universiteit Gent, gepubliceerd in Nature.
De onderzoekers vergeleken kunststofverpakkingen afkomstig uit bronscheiding met materiaal dat via nascheiding uit gemengd huishoudelijk afval was teruggewonnen. Voor de studie werden monsters genomen van balen kunststof die binnen dezelfde verwerkingsketen werden verwerkt. Daarbij werden onder meer de polymeersamenstelling, vervuilingsgraad, vochtgehalte en aanwezigheid van metalen en halogenen onderzocht. Volgens de onderzoekers was de zuiverheid van de doelpolymeren in beide stromen vergelijkbaar. In de nagescheiden kunststofstromen werden echter hogere concentraties vervuilingen aangetroffen. Het gaat onder meer om vocht, vuil, geurcomponenten en ongewenste stoffen zoals lood en cadmium. Ook werden verontreinigingen afkomstig van niet-verpakkingsmaterialen vastgesteld.
Bronscheiding blijft nodig om kwaliteit waarborgen
De aanwezigheid van dergelijke stoffen kan gevolgen hebben voor zowel mechanische als chemische recyclingprocessen. Hogere vervuilingsniveaus kunnen aanvullende was- en reinigingsstappen noodzakelijk maken en de kwaliteit van recyclaat beïnvloeden. Daarnaast wijzen de onderzoekers op mogelijke risico’s wanneer ongewenste stoffen niet voldoende uit de materiaalstroom worden verwijderd voordat nieuwe producten worden vervaardigd.
De studie concludeert dat nascheiding een nuttige aanvulling kan zijn om meer kunststofafval voor recycling beschikbaar te maken, maar geen volledige vervanging vormt voor bronscheiding. Volgens de auteurs blijft gescheiden inzameling aan de bron belangrijk om de kwaliteit van kunststofverpakkingsafval te waarborgen.
De onderzoekers merken daarbij op dat de resultaten zijn gebaseerd op monsters uit één materiaalterugwinningsinstallatie. Verdere studies zijn nodig om vast te stellen in hoeverre de bevindingen representatief zijn voor andere installaties en inzamelsystemen.